Prelinguale periode: Brabbelen (gemiddeld van 7/8 – 12 maanden)

 In mijlpalen

Ontwikkelingsfase spraak- en taal: Brabbelen 

Soms is het lastig aan te geven wanneer de vorige fase van vocaal spel is afgelopen en de volgende fase van het brabbelen is gestart. In elk geval starten de meeste baby’s met brabbelen tussen de 7 en 9 maanden en kan men dit merken aan een opmerkelijke wijziging van de klankproductie.

Gedurende deze fase leren baby’s steeds beter klanken en woorden te herkennen. Kinderen leren klankstructuren en klankcontrasten die functioneel zijn binnen de moedertaal. Zo tonen baby’s van 6 maanden nog geen voorkeur voor de woorden uit de moedertaal, maar baby’s van 9 maanden oud inmiddels wel. Kinderen herkennen in deze fase duidelijk de eigen moedertaal ten opzichte van andere talen (moedertaalfilter). Wat betreft het herkennen van klanken is dus een duidelijke verschuiving te zien van universeel naar taalspecifiek waarnemen. Deze verschuiving vangt dan ook aan in het begin van de brabbelfase (7/8 maanden) en is in het algemeen afgerond rond de 12 maanden. Kinderen die 2-talig opgroeien zijn wel in staat van beide talen de specifieke kenmerken te leren (dubbele taalfilter). Gedurende de brabbelfase neemt de woordontwikkeling een enorme sprong. Baby’s zijn al in staat allerlei woorden en uitingen te begrijpen en/of erop te reageren, lang voordat zij überhaupt de eerste verstaanbare woorden gaan produceren. Zo kunnen baby’s al blij mee doen met het spelletje ‘klap eens in je handjes’ en reageren op de opmerking ‘kijk daar is de poes!’. Aanvankelijk begrijpen baby’s de losse woorden van deze zinnen nog niet, maar reageren voornamelijk op de globale klankpatronen en intonatiecontouren. Tot de leeftijd van 10 maanden zal bij de zin ‘waar is de roet’, in plaats van ‘waar is de poes’, nog dezelfde reactie uitgelokt kunnen worden. Deze reactie zal vanaf 10 maanden echter snel uitdoven. Ook zal de baby vanaf deze leeftijd op vragen als: ‘waar is de poes’, ‘waar is de pop’, ‘waar is de lepel’, het betreffende voorwerp kunnen aanwijzen of gaan zoeken. Dit wordt mogelijk gemaakt omdat baby’s nu woordgrenzen herkennen (afzonderlijke woorden herkennen in een hele zin) en een mentaal lexicon hebben opgebouwd (betekenissen kunnen koppelen aan bepaalde klankgroepen). Volwassenen gebruiken vaak binnen hun taalaanbod eenwoorduitingen, met een langzame en duidelijke intonatie, om vervolgens hetzelfde woord in verschillende zinnetjes toe te passen. Onder andere hierdoor leren baby’s woorden te identificeren binnen een bepaalde geluidenstroom. Dit wordt ook versterkt doordat in deze fase veel interactie is met de opvoeders en dagelijks verschillende rituelen, zoals in bad gaan, de luier verschonen, eten en drinken en naar bed gaan, terugkomen. Bij deze rituelen worden dezelfde woorden en zinnen gebruikt, waardoor de baby spelenderwijs klankgroepen aan bepaalde inhoud gaat koppelen.

Gedurende de brabbelfase ontplooit zich de wederkerigheid in interactie tussen ouder en kind ten volle. De baby neemt nu volop het initiatief en is gek op interactiespelletjes zoals ‘kiekeboe’ en ‘handje klap’. De ouders zullen dit soort spelletjes als eerst introduceren, maar als snel zal de baby ook zelf een doek voor zijn gezichtje trekken om vervolgens hard te schaterlachen. Waar in de fase van het vocaal spel de interactie nog voornamelijk egocentrisch was, wordt dit meer en meer sociaal. Ook gaan kinderen gedurende deze fase volwassenen steeds sterker imiteren. Een beker of kam worden nu niet alleen meer afgetast en naar de mond gebracht, maar met de kam worden de haren van de knuffelbeer bewerkt en met de beker worden zogenaamde drinkbewegingen gemaakt. Ook gaat het kind opvallende gelaatsuitdrukkingen van de ouders nabootsen. Daarnaast krijgt het kind nog meer interesse in zijn omgeving en zal steeds vaker de aandacht van de ouders trekken door ‘opmerkelijke’ geluiden te maken als hij iets interessants ziet (bijvoorbeeld de vuilniswagen of een hondje op straat). Het expliciet zelf in gang zetten van deze vocale boodschappen en gezamenlijke aandacht voor een voorwerp of gebeurtenis (joint attention) is nieuw voor deze fase. Aan het einde van de brabbelfase en dus prelinguale periode heeft het kind een repertoire van onmiskenbare communicatieve intenties (gedragingen). Zo zijn baby’s in staat aandacht naar zichzelf of een gebeurtenis te trekken (aan de broek trekken van papa of naar een tractor wijzen), verzoeken doen om objecten, actie of informatie (wijzen naar een koekje, boek geven aan mama om eruit voor te lezen, wijzen naar de plek van een bepaald speelgoed dat er nu niet staat), groeten (wuiven bij het afscheid), protesteren (bord met eten weg duwen), antwoorden/bevestigen (knikken bij eenvoudige instructie) of informeren (wijzen naar iets op de grond om papa te laten weten dat iets gevallen is). Typisch voor deze periode is het aandacht trekken door het wijzen met de vinger en de blikrichting. Het wijsgebaar is een voorloper van het benoemen van allerlei voorwerpen.

Zoals eerder genoemd is in deze fase een duidelijke verandering te horen in de vocale productie van de baby (klankproductie). Brabbelen is te herkennen aan het opeenvolgen van (bijna) identieke lettergrepen in één ademhalingscyclus zoals: ‘ba-ba-ba-ba’, ‘ma-ma-ma-ma’, ‘da-da-da-da’, maar ook bijvoorbeeld: ‘pa-pa-ta-ta’, ‘ba-ba-ma-ma’. Het kenmerk van de brabbelfase is dus het herhalen van gelijke of verschillende lettergrepen binnen één ademhalingscyclus. Door het meer volwassen worden van het stem- en articulatieapparaat van de baby, is deze verandering van de klankproductie mogelijk. Daarnaast starten baby’s in deze fase over het algemeen met vast voedsel en wordt door het kauwen, bewegen van de lippen, tong en kaken de coördinatie en mondmotoriek getraind. Sommige onderzoekers geven dan ook een verband aan tussen vroeg en goed brabbelen en vroeg en goed kauwen. Wanneer kinderen gevorderde brabbelaars zijn, gaat het brabbelen steeds meer op echte taal lijken. Dit wordt ook wel expressief jargon genoemd. Dit wordt gestimuleerd doordat kinderen volwassenen graag imiteren en het vermogen om zichzelf te kunnen horen (auditorische feedback) zich sterk heeft ontwikkelt. Rond de leeftijd van 10-12 maanden geven kinderen de indruk als volwassenen te converseren en kunnen volwassenen zelfs aan het brabbelen herkennen om welke moedertaal het gaat! Dit expressieve jargon heeft een sociale functie en is een direct voorloper van het eerste taalgebruik en de volgende fase in de taalontwikkeling: De vroeglinguale periode.

Lees verder over de prelinguale periode:

Lees ook:

Leave a Comment

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Neem contact op

Stuur gerust uw vragen en/of opmerkingen