Sociaal-emotionele ontwikkelingsfasen

 In mijlpalen

Sociaal-emotionele ontwikkelingsfasen baby, dreumes en peuter

Wanneer gaan kinderen actief contact zoeken met andere mensen en hoe ontstaat dit? Hoe ontstaat het zelfbewustzijn en wannen gaat een kind zichzelf herkennen in de spiegel? Wanneer gaan kinderen grenzen verkennen en zijn zij in staat om speelgoed te delen?

Kortom, hoe verloopt de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen? In dit artikel is het verloop van het sociaal-emotionele ontwikkelingsproces ingedeeld in drie fasen: baby (0-1 jaar), dreumes (1-2 jaar), peuter (2-4 jaar)

Baby: 0-1 jaar

Het eerste levensjaar is belangrijk voor de basis van een gezonde emotionele relatie. Vlak na de geboorte is een kind passief in contacten met zijn omgeving. De schattige uiterlijke kenmerken van een baby maken dat volwassenen voor het kind willen zorgen, zodat het kind kan overleven. In deze fase reageert het kind nog puur op instinct en onderzoekt en leert via zijn zintuigen. Praten, knuffelen en het maken van oogcontact is essentieel voor het ontwikkelen van een stabiele basis. Al vrij snel is het kind niet passief meer in het contact met de omgeving en gaat het actief contact zoeken met mensen. Door te huilen, te lachen, het produceren van geluidjes, probeert het kind de aandacht te krijgen van anderen. Rond zes weken kunnen baby’s glimlachen. Deze eerste tekenen van sociaal gedrag worden door de omgeving enthousiast ontvangen en zullen het proces doen versnellen. Vanaf een maand of drie experimenteren kinderen steeds meer met interactie. Als de omgeving lacht om zijn gebrabbel, zal hij blij terug lachen. Het contact zoeken zal steeds verder uitgebouwd worden. Armen worden uitgestrekt om opgepakt te worden, verschillende manieren van huilen ontstaan om verschillende emoties en behoeften aan te kunnen geven en zelfs de eerste non-verbale grapjes worden gemaakt. Zo leren kinderen bijvoorbeeld hoe de omgeving reageert door ‘expres’ speeltjes uit de wieg te laten vallen en kunnen kinderen helemaal opgaan in een spel waarin de ouder voorwerpen laten verdwijnen of terugkomen. Rond de zevende en achtste levensmaand leert het kind de betekenis van mimiek en intonatie verstaan en rond de negende maand ontstaat een eigen bewustzijn. De oudere baby kan zichzelf herkennen in de spiegel en wordt steeds ondernemender. In deze fase ontstaat ook vaak scheidingsangst bij de baby. Kinderen kunnen in deze fase bang zijn om alleen gelaten te worden en denken bijvoorbeeld dat de ouder verdwijnt als deze naar de WC gaat. Aan het einde van het eerste levensjaar treedt ook rivaliteit op tussen de kleintjes op. Vaak zien baby’s elkaar als een ‘speelding’ en ontzien elkaar niet bij het verkennen van het andere lichaam, door aan oren te trekken, of elkaar lekker vast te grijpen. Kortom; tijdens het eerste levensjaar leren kinderen de beginselen van de sociale omgang met zichzelf en met anderen en wordt een belangrijke basis gelegd op sociaal- emotioneel gebied. Hechting speelt een belangrijke rol in dit proces.

Dreumes: 1-2 jaar

Het ontdekken van de wereld neemt in het tweede levensjaar een vogelvlucht. Het kind vindt het in deze fase steeds leuker om juist te doen wat niet mag, probeert uit en zoekt de grenzen op. Het kind is nog steeds erg egocentrisch en moet nog leren wat anderen wel en niet leuk vinden. Zo is het delen nog heel moeilijk en speelgoed uit de handen van een kameraadje trekken kan zomaar gebeuren. Ook kan een kind zich er over verbazen dat een kindje moet huilen als hij aan diens haren trekt. De dreumes experimenteert hoe ver hij kan gaan en de reacties uit de omgeving hebben hier steeds meer invloed op. Juist door de reacties van anderen leert het kind belangrijke vaardigheden. Naast het ‘uitlokken’ van deze minder positieve reacties proberen de kinderen ook juist behulpzaamheid en genegenheid uit en ervaren vervolgens het plezier wat bijvoorbeeld kusjes geven kan opleveren voor zichzelf en de omgeving. De dreumes is nu ook in staat simpele opdrachten uit te voeren zoals: ‘pak je beker maar van de tafel’. Ook kan het kind nu zwaaien bij het vertrek van personen of op verzoek iets delen tijdens een spelletje. Tussen het eerste en tweede levensjaar neemt de taalontwikkeling van de dreumes ook toe. Rond de leeftijd van anderhalf jaar neemt de woordenschat explosief toe en is het kind steeds beter in staat deel te nemen aan de sociale wereld en kan hij zijn wensen en behoeften nu ook door taal kenbaar maken. Onder andere deze taalontwikkeling zorgt ervoor dat de belangstelling in andere kindjes toeneemt en dat het kind steeds beter in staat is te spelen met leeftijdsgenootjes. Aan het einde van het tweede jaar ontwikkelt het kind een sterke eigen wil, wilt graag alles zelf doen en kan driftig of koppig zijn. Kortom: tijdens het tweede levensjaar is de taalontwikkeling en het spelcontact dat hierdoor ontstaat belangrijk bij de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind.

Peuter: 2-4 jaar

In het derde levensjaar neemt het zelfbewustzijn van kind toe. De buitenwereld is min of meer bekend en vertrouwd geworden en de peuter heeft geleerd dat hij onderdeel is van het gezin en bijvoorbeeld de crèche. De omgeving stelt ook steeds meer eisen aan het kind en het zal experimenteren met afhankelijkheid en zelfstandigheid. Een machtstrijd op zijn tijd is dan ook heel normaal. In deze fase speelt de fantasie ook een grote rol. Deze fantasie wordt toegepast in spel met vriendjes of in het eigen spel. Fantasiespellen met sociale rollen, zoals ‘vadertje en moedertje, ziekenhuisje of draken en ridders’, ontstaan bij oudere peuters. Op deze manier leren de kinderen spelenderwijs welk gedrag bij welke rol hoort. Het rolmodel van de ouders is in deze fase belangrijk. Peuters identificeren zich met hun verzorgers en doen hen graag na. Het verder ontdekken van de wereld roept ook veel vragen op en kan soms beangstigend zijn voor jonge kinderen. Ontwikkelen van angsten komt vaak voor en men moet niet vreemd opkijken als opeens een roedel wolven uit de slaapkamer gejaagd moet worden.
Ook leren peuters redeneren, ze leren het begrip ‘wij’ kennen en kunnen dingen steeds beter delen en inschatten hoe de omgeving op hun gedrag zal reageren. Hierdoor zijn zij ook steeds beter in staat hun omgeving te manipuleren. Zij weten dat papa of mama hen komt troosten bij huilen, of kunnen heel goed een vertederend gezichtje trekken als zij een koekje van oma of opa willen. Toch kan het gedrag van de peuter in deze fase flink lastig zijn voor ouders; het krijsen of janken wanneer het kind de zin niet krijgt zal voor vele ouders een bekend fenomeen zijn. Dit gedrag lijkt het gevolg te zijn van het feit dat de gewenste sociale rol nog niet overeen komt met de egocentrische behoeften van het kind.
De eerste morele gevoelens ontwikkelen peuters tegen het einde van het tweede levensjaar. Hierdoor ontstaat weer een fase van experimenteren; de koppigheidsfase. Tijdens deze koppigheidsfase kunnen peuters zich opeens verzetten tegen zaken die eerst heel normaal waren. Aankleden of tanden poetsen kan opeens een drama zijn. De koppigheidsfase is een boeiend moment in de ontwikkeling aangezien de strijd tussen ‘ik’ en ‘jij’ hier centraal staat. Doordat de kinderen nog niet hun gevoelens op een ‘normale’ manier kunnen uiten, wordt vaak agressiviteit toegepast om zichzelf duidelijk te maken. Vormen van agressiviteit zijn dan ook heel normaal binnen deze fase.
Rond het vierde jaar kunnen de kinderen beter omgaan met de verwachtingen van de omgeving; ze kunnen op een sociaal aanvaardbare manier voor zichzelf opkomen, zich verbaal uiten en zich beter aanpassen aan onverwachte situaties. Kortom: het kind is steeds beter ingesteld op het gedrag en de verwachtingen van anderen en er zijn weer belangrijke stappen gezet in de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Comments
  • Anna
    Beantwoorden

    Dankuwel! Ik heb hier zéér veel aan.

Leave a Comment

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Neem contact op

Stuur gerust uw vragen en/of opmerkingen