Ontwikkeling basisemoties

 In mijlpalen

De ontwikkeling van basisemoties bij kinderen

Hoe ontwikkelen zich de basisemoties bij kinderen? Basisemoties zijn universele emoties (blijdschap, verrassing, bang, woede, verdriet en walging), die direct zijn af te lezen aan de gezichtuitdrukking bij mensen. Basisemoties hebben zich gedurende de evolutie aangepast tot de gezichtsuitdrukkingen die wij nu kennen.

In aanleg zijn de basisemoties bij de geboorte van een baby aanwezig. Vlak na de geboorte zijn deze emotionele gedragingen reflexmatig en gedurende het eerste half jaar veranderen deze gedragingen langzaam in steeds effectievere systemen. Na zes maanden zijn de basisemoties goed georganiseerde signalen, die direct betrekking hebben op gebeurtenissen uit de omgeving van het kind.

Ontwikkeling blijdschap

In de eerste weken na de geboorte is al een glimlach waar te nemen bij baby’s gedurende de REM-slaap en bij zachte aanrakingen en geluidjes (zintuiglijke stimulatie). Na vier weken kunnen baby’s glimlachen, wanneer plotseling een interessant en fel object in het gezichtsveld wordt gehouden. Tussen de zes en tien weken ontstaat de eerste bewuste glimlach en verdwijnt langzaam de reflexmatige glimlach. Deze bewuste glimlach wordt ook wel de sociale glimlach genoemd. Niet veel later wordt de glimlach ondersteund met vrolijk kraaien. Na twee tot drie maanden gaat een baby glimlachen en kraaien wanneer hij ontdekt dat er een verband is tussen zijn gedrag en dat van de omgeving. Lachen ontstaat na ongeveer drie tot vier maanden. Kinderen lachen nu nog met name als reactie op grote prikkels van buitenaf: tijdens het spelen van een spelletje zoals bijvoorbeeld ‘kiekeboe’ en bij het kussen van het buikje en de nek van het kind. Na zes maanden glimlachen en lachen kinderen steeds vaker en met name bij bekende mensen waar zij zich vertrouwd bij voelen. Dit heeft een positief effect op de ouder-kind relatie. Bij baby’s van tien tot twaalf maanden zijn al verschillende glimlachen te onderscheiden, nauwkeurig afgestemd op de omgeving en de situatie waarin het kind zich dan bevindt. Na twee jaar wordt de lach daadwerkelijk een weloverwogen of doordachte sociale uiting om effectief met de omgeving te communiceren.

Ontwikkeling woede en verdriet

In de eerste maanden zijn bij baby’s symptomen van stress te zien (gegeneraliseerde stress), wanneer zij blootgesteld worden aan onprettige ervaringen zoals honger, temperatuurverschillen van het lichaam en bijvoorbeeld te veel of te weinig stimuli uit de omgeving. Vanaf vier tot zes maanden tot aan het tweede jaar nemen woede uitdrukkingen (expressie) in aantal en intensiteit toe. Naarmate het toenemen van de leeftijd reageren kinderen op steeds meer verschillende situaties met woede. Denk hierbij aan het verwijderen van een object dat het kind vast heeft, wanneer de ouder de kamer even verlaat of als het kind wordt neergelegd om even te slapen. Woedereacties nemen toe omdat kinderen bij het ouder worden steeds meer waarde hechten aan hun eigen acties en welk effect deze acties tot gevolg hebben. Kinderen kunnen gefrustreerd raken als taken niet lukken doordat de motorische- of cognitieve ontwikkeling dit nog niet toelaat. Woede heeft een functie voor kinderen. Woede helpt kinderen om zichzelf te verdedigen en om bijvoorbeeld tijdens het kruipen over bepaalde obstakels heen te komen. Daarnaast is woede lange tijd één van de weinige manieren om iets duidelijk te maken aan de omgeving. Uitdrukkingen van verdriet verschijnen net als bij woede als reactie op pijn, het verwijderen van een object dat het kind vast heeft en bij kort alleen achter laten van het kind. De gezichtsuitdrukking woede komt vaker voor dan die van verdriet.

Ontwikkeling angst

Angst doet zich net als woede na ongeveer zes maanden voor. Kinderen van deze leeftijd kunnen opeens terughoudend zijn bij het zien van nieuw speelgoed, terwijl zij dit op jongere leeftijd direct, zonder twijfel gegrepen hadden! Tussen de zes en negen maanden komt de reactie ‘angst voor onbekenden’ bij veel kinderen voor. Deze angst en ook wel als eenkennigheid gezien, komt niet bij alle kinderen voor en heeft te maken met aanleg (temperament van de baby), eerdere ervaringen van het kind en de context waarin het kind een vreemd persoon ziet. In een bekende omgeving zal een kind minder angstig reageren dan in een onbekende situatie en een vreemd kind is vaak minder angstig voor een kind dan voor een vreemde volwassene. Tot slot is angst voor een groot gedeelte aangeleerd gedrag en cultureel bepaald. De manier waarop ouders en de omgeving omgaan met angst, wordt al vroeg door baby’s overgenomen. Angst heeft een functie om kruipende en lopende baby’s enigszins te remmen bij het onderzoeken en verkennen van de wereld. Ouders worden gezien als ‘veilige basis’, waarvandaan de wereld onderzocht kan worden. Een baby heeft steeds te maken met twee conflicterende gevoelens: benaderen van het vreemde, gevoed door nieuwsgierigheid en het vermijden van het vreemde, gevoed door angst. Baby’s letten hierbij sterk op de gezichtsuitdrukkingen van de ouders en laten zich leiden door een bemoedigende lach of juist een angstige of afkeurende gezichtsuitdrukking.

Lees ook:

Leave a Comment

Neem contact op

Stuur gerust uw vragen en/of opmerkingen