Cognitieve ontwikkeling kleuter en schoolkind

Home / Ontwikkeling kleuter en schoolkind / Groei en ontwikkeling kleuter en schoolkind / Cognitieve ontwikkeling kleuter en schoolkind

Cognitieve ontwikkeling kleuter en schoolkind

Hoe ontwikkelt zich de cognitieve ontwikkeling van je kleuter en schoolkind? Wanneer kan je kind getallen, kleuren en vormen herkennen? Wanneer kan je kind analoog en digitaal klokkijken en is een kind in staat een plattegrond af te kunnen lezen? Welke cognitieve mijlpalen zijn te onderscheiden?

Om goed te kunnen presteren op school zijn verschillende cognitieve vaardigheden nodig. Denk aan leren, onthouden, denken en redeneren. Kinderen leren om informatie uit hun omgeving te verwerken en op te slaan, om vervolgens deze verworven vaardigheden en kennis op een later moment weer te kunnen gebruiken. Het is lastig om de ontwikkeling van deze vaardigheden in beeld te brengen. Om het verloop van de cognitieve ontwikkeling toch in kaart te brengen, is uiteengezet op welke leeftijd kinderen bepaalde schoolse vaardigheden leren en kunnen.

Wat kan jouw kleuter en schoolkind op cognitief gebied?

Kleuter 4 jaar

Je kind van 4 jaar kan:

  • tellen tot 10
  • de cijfers 1 t/m 5 herkennen
  • besef hebben van de begrippen meer – minder, veel – weinig, erbij – eraf, groter – kleiner, dikste – dunste, voor – naast –op
  • groepjes herkennen van 2 en 3 zonder te tellen
  • de vormen cirkel, vierkant, driehoek, rechthoek benoemen
  • de kleuren rood, geel, blauw, groen
Kleuter 5 jaar

Je kind van 5 jaar kan:

  • tellen tot 20 en terug
  • de cijfers 1 t/m 10 herkennen
  • besef hebben van de begrippen meer – minder, veel – weinig, erbij – eraf, groter – kleiner, dikste – dunste, voor – naast –op en hoeveelheden t/m 12 vergelijken en ordenen (meer, minder, verschil, alles) en schatten
  • groepjes herkennen van 6 zonder te tellen
  • eenvoudig optellen en aftrekken onder de 12 en herkennen van de begrippen lengte, inhoud, omtrek, gewicht
  • tijdsaanduidingen als eerder, later, gisteren gebruiken en de seizoenen, dagen, dagdelen benoemen
  • de vormen cirkel, vierkant, driehoek, rechthoek, ruit, ovaal benoemen
  • de kleuren rood, geel, blauw, groen en oranje, paars, zwart, wit, grijs, bruin benoemen
Kleuter 4 - 6 jaar

Je kind van 4 – 6 jaar kan:

  • steeds realistischere tekeningen maken. Hoofd, armen en benen worden door een 6-jarige bijvoorbeeld nu los getekend van het lichaam. Verhoudingen kloppen nog niet en jouw kleuter zal nog niet in staat zij om diepte te gebruiken.
  • steeds vaker plausibelere verklaringen voor gebeurtenissen geven, in plaats van dit toe te kennen aan magie. Het magisch denken van jouw kleuter zal in deze fase steeds verder afnemen.
  • nog moeilijk zijn aandacht op meer dan één factor tegelijk richten en negeert andere belangrijke factoren bij het oplossen van een probleem of vraagstuk (centratie). Jouw kleuter kan in deze fase bijvoorbeeld denken dat een lang smal glas meer water bevat dan een laag en breed glas. Jouw kind concentreert zich in dit voorbeeld op de hoogte van het glas en vindt de breedte van het glas irrelevant. Dit heeft ook te maken met het feit dat jouw kind nog niet door heeft dat hetzelfde ding dezelfde fysische kenmerken/ eigenheid behoudt, ook als het ding er opeens anders uit ziet. Dit begrip wordt door de ontwikkelingspsycholoog Piaget ‘conservatie’ genoemd.
  • nog moeite hebben om bij het oplossen van een probleem in zijn hoofd, een paar stappen terug te doen (terugspoelen van een gebeurtenis), om op die manier het probleem goed op te kunnen lossen. Als voorbeeld de proef van het lange smalle glas en het lage en brede glas met water. Bij deze proef, waarin dezelfde hoeveelheid water wordt overgegoten in het brede glas, faalt het kind om in zijn gedachte het water weer terug te gieten in het smalle glas en zo te kunnen begrijpen dat het om dezelfde hoeveelheid water gaat. Het zogenaamde ‘terugspoelen’ van de band lukt nog niet altijd.
  • hele verhaallijnen met andere kinderen bedenken tijdens het spelen. Jouw kleuter kan verschillende rollen aannemen en anticiperen op andere kinderen. Dit wordt ook wel ‘doen alsof spel’ of ‘rollenspel’ genoemd.
Schoolkind 6 - 8 jaar

Je kind van 6 jaar:

  • kan getallen herkennen en schrijven en heeft begrip voor ‘erbij’ en ‘eraf’
  • heeft begrip de symbolen ‘+’ (optellen) en ‘-‘ (aftrekken)
  • kan sommen onder de 10 oplossen (door te tellen en eventueel met behulp van een telraam) en later optel- en aftreksommen onder de 20 redelijk vlot uitrekenen
  • kan op een gegeven moment tellen in stapjes van 2, 5 of 10
  • leert tellen tot 100, splitsen (het getal in 2 delen verdelen), verdubbelen en halveren
  • kan op een analoge klok klokkijken (hele en halve uren) en heeft begrip voor geld en kan een simpele som oplossen met € 1 en € 2
  • Kan simpele rekensommen tot 10 uit het hoofd (zijn geautomatiseerd)

Je kind van 7 jaar:

  • heeft begrip voor de tafels 1,2,3,4, 5 en 10 (is wel erg afhankelijk van de methode van de school)
  • kan simpele verhaalsommetjes oplossen (3 kinderen mogen 15 snoepjes verdelen, hoeveel krijgt elk kind?)
  • kan tellen in stapjes van 10
  • weet wat de helft is van 100 en de helft van 50
  • leert rekenen (optellen en aftrekken) tot 100
  • kan op een analoge klok klokkijken (hele en halve uren en kwartieren).
  • kan simpele rekensommen tot 20 uit het hoofd (zijn geautomatiseerd)
  • heeft inzicht in de begrippen centimeter, meter en kilometer
  • heeft begrip voor lengte en gewicht en soms inschatten
  • heeft begrip voor dagen en datums (kalender)
Schoolkind 8 - 10 jaar

Je kind van 8 jaar:

  • kan rekenen (optellen en aftrekken) met getallen tot 1000
  • kan de tafels van 1 t/m 10 redelijk goed uit het hoofd
  • heeft enig inzicht in breuken als halven, kwarten en derden (pizza verdelen)
  • kan steeds beter rekenen met geld, heeft enig begrip voor bedragen achter de komma
  • heeft begrip voor lengtematen (mm, dm, m km)
  • leert om te gaan met maal- en deelsommen
  • kan klokkijken op een analoge klok en leert ook digitaal klok te kijken (uren, minuten en seconden)

Je kind van 9 jaar:

  • kan rekenen tot 10.000 en maakt de eerste berekeningen tot 100.000
  • kan de tafels van 1 t/m 10 foutloos en snel uit het hoofd
  • heeft begrip voor hoeveel een ‘miljoen’ is en weet dat dit een getal is met 6 nullen
  • heeft inzicht in breuken (halven, kwarten, derden, vijfden, achtsten, tienden, zesden)
  • kan maal- en deelsommen maken
  • kan rekenen met geld, ook bedragen achter de komma
  • heeft begrip voor inhoudsmaten (ml, dl, l) en gewicht (kg, g)
  • weet hoe een oppervlakte en omtrek uitgerekend kan worden
  • kan plattegronden lezen
  • heeft begrip voor verhoudingen (schaal, snelheid, prijs per stuk)
  • klokkijken op een analoge en digitale klok zonder problemen
Schoolkind 10 - 12 jaar

Je kind van 10 en 11 jaar:

  • leert steeds beter omgaan met breuken, procenten, verhoudingen en kommagetallen
  • leert omgaan met een rekenmachine
  • kan inhouden en oppervlakten berekenen
  • kan schalen lezen
  • kan rekenen met snelheden en geldkoersen
  • kan rekenen met getallen tot een miljoen en op een gegeven moment zelfs daarboven
  • kan schattend rekenen (afronden, schatten van sommen met kommagetallen)
Schoolkind 6 - 12 jaar

Je kind van 6 – 12 jaar kan:

  • begrijpen dat veel dingen in essentie hetzelfde blijven, hoewel deze oppervlakkig gezien kunnen veranderen. Jouw kind snapt nu dat een lang smal glas evenveel water kan bevatten als een laag breed glas en dat een uitgespreide kralenketting even lang is als een identieke opgefrommelde kralenketting. Dit vermogen wordt ‘conservatie’ genoemd.
  • nu beter problemen oplossen door eerst dingen in het hoofd uit te werken, voordat hij in actie komt. Jouw kind wordt dus minder impulsief in deze fase. Deze vaardigheid om problemen op te lossen door bepaalde concepten volledig in gedachte te manipuleren, wordt ook wel ‘psychische operatie’ genoemd.
  • aanwijzingen geven om iemand de weg te wijzen. Dit komt omdat jouw kind zich het gezichtspunt van iemand op een andere plek kan inbeelden en een route helemaal in gedachte in het hoofd kan ‘aflopen’.
  • doordat het magische denken nog verder afneemt steeds realistischer denken. De naïviteit neemt hierdoor ook verder af. Vanaf deze leeftijd gelooft jouw kind bijvoorbeeld niet meer in Sinterklaas.
Schoolkind 12 - 23 jaar

Je kind van 12 – 23 jaar kan:

  • steeds beter abstract en complex te denken. Bij het oplossen van een probleem gebruikt je kind specifieke hypotheses en veronderstellingen. Hij is in staat factoren af te wegen die mogelijk consequenties hebben op de uitkomst.
  • nu ook nadenken over ongrijpbare concepten zoals rechtvaardigheid, waarheid, het leven en relaties. Je kind snapt nu dat hun realiteit (waarheid) slechts een van de vele mogelijke realiteiten kan zijn.
Neem contact op

Stuur gerust uw vragen en/of opmerkingen